De instellingen voor het netwerk kunt u enkel terugvinden onder gebruikersniveau 3.
Naam: U kunt elk paneel of herhaalbord een naam geven
Poort: nodig indien u portforwarding wilt doen op het TCP/IP-netwerk
Paneelnummer: U moet elke centrale en herhaalbord een uniek ID-nummer geven
Netwerkstatus: Activeer de netwerkkaart
Netwerktype: Kies voor RS485 (redundant netwerk kaart)
Protocol: Enkel van belang bij gebouwbeheersoftware (kies voor Modbus TCP/IP)
Paneelnummer EVAC: Enkel van belang voor ontruimingspanelen.
Wanneer op “meer” klikt, kunt u de TCP/IP-instellingen aanpassen (statisch/DHCP) en kunt
u ook de redundantie aan- en uitzetten op de RNC-kaart
Eenmaal u alle instellingen heeft gewijzigd, kunt u de verschillende centrale(s) en herhaalbord(en) linken aan elkaar.
Om dit te doen moet u ook gebruikersniveau 3 activeren en vervolgens:
System → Programming → Panel → Network → Panels
Wanneer u begint bij paneel met ID 1, ziet u het volgende:
Met de pijtjes kunt u het ID verhogen en verlagen.
Wanneer u bij een paneel komt die nog niet gelinked is, dan kunt u dit toevoegen door op “add” te klikken.
Nadien kunt u het ontvangen en verzenden van acties activeren.
Vergeet niet om de aanpassingen te bevestigen (links bovenaan).
Bij “meer” kunt u kiezen of het gelinkte paneel/herhaalbord berichten moet ontvangen en verzenden van het paneel/herhaalbord waarop u momenteel aan het werken bent.
Activeer de optie “receive messages” en druk op “apply”
Herhaal deze actie op de andere centrale(s)/herhaalbord(en).
➔ NOTA: u kunt optie 1 (RNC) en optie 2 (LAN) niet met elkaar combineren om 1 netwerk van centrales te hebben.
De verbinding moet dus overal via een RNC lopen of wel overal over TCP-IP.